Sociaal Werkbedrijf

Sociaal Werkbedrijf

welke meerwaarde heeft een gemeenschappelijke besturing door samenwerkende gemeenten en waarop kan beter individueel gestuurd worden?

Leestijd: 2 minuten

Vraagstelling

Gemeenten zijn wettelijk verplicht bestaande Wsw’ers tot aan hun pensioen passend werk te bieden. De gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Leusden, Soest, Woudenberg zijn als deelnemer in de gemeenschappelijke regeling RWA als werkgever gezamenlijk verantwoordelijk voor passend werk aan een Wsw-groep van 1.100 SE. Omdat de bestaande Wsw-regeling door de rijksoverheid is gesloten, zullen er geen nieuwe Wsw’ers meer bijkomen. Het in stand houden van de huidige werkvoorzieningen voor Wsw’ers zal mede als gevolg van teruglopende rijkssubsidie leiden tot een oplopend tekort bij RWA.

De vraag die voorligt is om na te gaan welke mogelijkheden er zijn om te kunnen blijven voorzien in passend werk aan Wsw’ers maar tegelijkertijd het oplopen van het tekort bij RWA te beperken. De gemeenten willen:

  • Inzicht krijgen in de haalbaarheid en meerwaarde van de door hen geselecteerde scenario’s (al dan niet in combinatie met elkaar) ten opzichte van het basisscenario dat als uitgangspunt is genomen in de Meerjarenbegroting RWA 2016-2020. Dit dient te gebeuren aan de hand van de door de gemeenteraden vastgestelde criteria.
  • Ook willen de gemeenten weten of er nog andere, slimmere keuzes te maken zijn, out of the box, om passend werk voor de doelgroep te realiseren tegen zo laag mogelijke kosten.
  • Volgend op de uitkomsten van de scenariostudies willen de gemeenten ook advies ten aanzien van de juridische structuur/governance van RWA/Amfors.

Naast de scenariostudie willen de gemeenten dat een eenduidige methodiek wordt ontwikkeld om marktconforme prijzen te bepalen in het geval van inbesteding (Eemfors, Cleanfors, Mailfors).

Hoofdlijnen advies

Door de kerntaken van Amfors uiteindelijk te beperken tot die van mens-ontwikkelbedrijf ten behoeve van de huidige Wsw-groep (en mogelijk een kleine groep nieuwe instroom vanuit de Pw-wet) kan het beste resultaat worden bereikt voor zowel gemeenten als de betrokken werknemers. De kosten van uitvoering per Wsw’er zullen daarmee niet afnemen. Het wordt wel beter mogelijk om de uitvoeringskosten te laten meebewegen met de afbouw van de Wsw-populatie en het exploitatierisico neemt in absolute zin af. Per bedrijfsonderdeel zal daartoe een traject uitgezet kunnen worden gericht op het omvormen van de bedrijfsactiviteiten naar het organiseren van passend werk door middel van groepsdetacheringscontracten met opdrachtgevers en externe werkgevers. Inbesteden van gemeentelijke opdrachten blijft voorlopig hard nodig voor Amfors om voldoende mate van passend werk te kunnen blijven organiseren en biedt mogelijkheden om in samenwerking met gemeentelijke opdrachtgevers toe te werken naar vormen van groepsdetachering (zonder verlies van loonwaarde opbrengst en hoge frictiekosten).

De aansturing van gemeenten op dit omvormingsproces kan het beste in één hand worden gelegd. Aanpassing van RWA in een bedrijfsvoeringsorganisatie (met één bestuursorgaan) biedt daartoe de beste mogelijkheden (in combinatie met het aanwijzen van RWA-bestuursleden als vertegenwoordiger van de gemeente in de AvA van Amfors).  Uit de gewijzigde opdracht vanuit gemeenten aan RWA/Amfors vloeien andere taken en rollen voort waardoor het verstandig is om een nieuw profiel voor het vennootschapsbestuur vast te stellen en de samenstelling aan te passen aan het gewijzigde profiel. Door het hanteren van maatmannormen voor prijsbepaling bij inbesteding van werk aan Amfors ontstaat een faire prijs en een stimulans om in gezamenlijk overleg te werken aan de gewenste omvorming van bedrijfsactiviteiten bij Amfors.